menu

The man who killed the sixties

1991, Rotterdam. Ik ging nietsvermoedend op bezoek bij mijn beste vriend. Het duurde lang voordat de deur openging. Sleutels rinkelden, sloten knarsten, en plotseling zwaaide de deur open en werd ik naar binnen getrokken. Ik kon niet anders dan hard lachen. Hij had een lange bruinleren jas aan, zo´n Duitse Überzieher tot over de knieën, die ik herkende van vroeger, toen hij op zijn Puch Skyhunter de stad onveilig maakte. Hij droeg een brommerhelm en een veiligheidsbril en in zijn rechterhand hield hij een handzaag omhoog geheven. Toen ik uitgelachen was, vertelde hij zijn verhaal. 

The man who killed the sixties - Jongbelegen.nu

‘Gisteren kreeg ik de voordeur maar halfopen. Er lag iets op de grond in de gang, een paar bundeltjes papier. Ik pakte er een op en zag dat het paspoorten waren, een stuk of tien, bijeengehouden door een elastiekje. Allemaal Nederlands, gestolen natuurlijk. Wat deden ze in mijn huis? Ze waren vast in paniek in mijn brievenbus gegooid. En ik wist zeker dat iemand die paspoorten terug wilde en ze op zou komen halen. Dus hoe lang kon het duren voordat de bel ging of de deur open geramd werd? Ik heb de paspoorten afgegeven bij de politie. Die deden of ik gek was. Ik ben tierend van de balie weggelopen, ze namen me totaal niet serieus!’.
Mijn vriend had zich dus in het harnas gehesen om de bezoekers af te slaan die vast en zeker die paspoorten kwamen opeisen. Die handzaag was het beste verdedigingswapen, betoogde hij. Je kon ermee slaan en zwaaien en het gaf nare wonden. Hij was blij dat ik er was, want nu kon hij even die jas uit en die helm af. Die had hij al aan sinds de vorige dag. En die zaag, daar had hij mee geslapen, natuurlijk. Hij was niet gek.
Zo zaten we tegenover elkaar, flesje bier ertussen, te praten over misdaad en straf. Op de radio had hij iets gehoord dat er goed bij paste en hij had nog net een stukje cassettetape mee kunnen laten lopen. Wacht, hij liet het me horen. Het was een fragment van nog geen vier minuten, waar mijn krullen recht van overeind gingen staan. Een repeterend, minimalistisch pianomotiefje. Het nachtelijk tsjirpen van krekels. De muziek zwanger van dreigend onheil, na het aanslaan van een diepe bastoon. Je hoort een auto aan komen rijden, van links naar rechts scheurt-ie door je hoofd en het geluid sterft weg. Dan het geluid van een politiesirene en ook die raast je voorbij. Duidelijke zaak: hier is iemand op de vlucht. Hij wist niet wat en van wie het was. Ik maakte een kopie en plakte een sticker op de cassette: Serial Killer - dat was de associatie. Ik draaide het fragment thuis een paar keer en daarna raakte de tape zoek in de groeiende hoop cd´s.

29 jaar later kom ik die tape weer tegen. Mijn cassettedeck komt tot leven na een jarenlange slaap. Bijna vier minuten pure audiosuspense. Met Soundhound is het snel uitgezocht: het is de ouverture van een surrealistische opera van John Moran, ‘The Manson Family’. 
Iggy Pop en Philip Glass doen eraan mee. Het is een spooky meesterwerk, deze interpretatie van de gebeurtenissen die Charles Manson en zijn trawanten in 1969 veroorzaakten, culminerend in de slachting van actrice Sharon Tate en haar vrienden in het huis van Roman Polanski, waarmee Manson eigenhandig de jaren zestig vermoordde. Trippen op acid was niet langer dromen van een wereld vol liefde en vrede, maar een recept voor flippen, geweld en angst. Je wil iets weirds? Je wil een paar coole quotes uit je mouw schudden? Je wil de blits maken als ze je op een feestje om obscure platen vragen? Here it is. Een tamelijk lineair verslag dat begint met de moorden, met die nachtelijke achtervolging als symbool daarvan, en eindigt met het vonnis - eerst dood en daarna levenslang. 
Moran doet er nog een filosofische bijsluiter bij: ‘The Manson Family’ gaat over de goden die eeuwig met elkaar in conflict zijn. Manson en de aanklager McGarrett zijn er niet op uit te winnen. Hun doel is om elkaar eeuwig in de haren te vliegen. Als zij dood zijn, worden ze vervangen door nieuwe personen. We zijn allemaal stereotypes en we zijn allemaal een reflectie van de goden en hun conflicten. Ik weet niet wie dat snapt. Maar dat is het idee.’
Snappen doe ik het niet. Maar het idee van god in een bruinleren pantserjas, met brommerhelm en handzaag laat me niet sindsdien meer los.

mei 2020
Ron Kampers
Woordenaar op vrije voeten. Niet brutaal genoeg voor de journalistiek, zei zijn vader ooit. Die ouwe had gelijk. Gevoelig genoeg voor cultuur- en entertainment journalistiek. Dan dan weer wel, al bijna 40 jaar.

Goed stuk

Deel dit artikel: